Pyreneese herders
FCI Rasstandaard
PYRENEESE HERDERSHOND LANGHAAR “POIL LONG”
Land van herkomst: Frankrijk
Publicatiedatum van geldige originele standaard: 13.03.2001.
Gebruik: Herdershond, in gebruik op boerderijen en op de Pyreneese weiden.
Groepsindeling FCI: Groep 1 : Herders- en veedrijvershonden (uitgezonderd
Berghonden en zwitserse veedrijvershonden.)
Sectie 1: Herdershonden.
Met werkproef.
KORT HISTORISCH OVERZICHT:
Het ras is van nederige komaf en was tot het begin van de twintigste eeuw
nauwelijks bekend in de officiële kynologie. De verschijningsvormen die in
de diverse dalen voorkomen, lopen behoorlijk uiteen: de grootte, de vacht,
die zijn soms erg verschillend, maar in karakter en gedrag bestaat geen
verschil. Tussen 1921 en 1925 werd de eerste standaard samengesteld, waarin
sindsdien weinig veranderd is.
BELANGRIJKE LICHAAMSVERHOUDINGEN:
De schedel is ongeveer even lang als breed
De snuit is korter dan de schedel, de verhouding is 1/3 2/3
De lichaamslengte is groter dan de schofthoogte
De afstand van de elleboog tot de bodem bedraagt meer dan de helft van de
schofthoogte.
GEDRAG/ KARAKTER:
Het is een kleine moedige hond, zelfredzaam, in staat zelf initiatieven te
nemen en volledig toegewijd aan zijn baas. Hij is eigenzinnig van aard en
over het algemeen is een energieke aanpak nodig om zijn energie in goede
banen te leiden en het beste uit zijn intelligentie en levendigheid te
halen. Tegenover vreemden is hij vaak wantrouwend.
HOOFD:
In zijn algemene vorm is het hoofd driehoekig.
SCHEDELGEDEELTE:
Schedel: De matig ontwikkelde schedel, vrijwel vlak met een lichte groef in
het midden, gaat harmonieus afgerond in de zijkanten over en heeft een
weinig geprononceerde achterhoofdsknobbel. Hij is vrijwel even lang als
breed. Het voorste deel gaat zacht glooiend over in de snuit.
Stop : De stop is nauwelijks zichtbaar (glijdend).
AANGEZICHT:
Neus: Zwart.
Snuit: De snuit is recht, wat korter dan de schedel, wigvormig, maar het
uiteinde mag niet spits zijn.
Lippen: Deze zijn niet erg dik; ze bedekken de onderkaak volkomen zonder dat
de mond zichtbaar is. De randen van de lippen en het gehemelte zijn
overwegend zwart getekend.
Kaken/ Gebit: Het gebit moet compleet zijn. De hoektanden zijn sterk
ontwikkeld. Boven- en ondergebit zijn scharend (de snijtanden boven bedekken
de snijtanden onder doch blijven ermee in contact). Een tanggebit (waarbij
de snijtanden boven op de snijtanden onder staan) is toegestaan.
Ogen: De ogen zijn expressief, enigszins amandelvormig en hebben een
donkerbruine kleur. Ze mogen noch uitpuilen noch te diep liggen. Glasogen
zijn toegestaan bij honden met een harlekijnvacht of met een leigrijze
vacht, waarvan ze bijna altijd een kenmerk zijn. De oogleden zijn zwart
omrand, ongeacht de kleur van de vacht.
Oren: De oren moeten tamelijk kort zijn, matig breed bij de aanzet, ze mogen
noch te dicht bij elkaar geplaatst zijn bovenop de schedel noch te wijd
uiteen staan. Ze worden over het algemeen gecoupeerd. Indien het oor niet
gecoupeerd is, moet het onderste deel staan en beweeglijk zijn. Ideaal zijn
oren waarvan het bovenste deel voor een derde of de helft naar voren of
opzij valt, op voor beide oren symmetrische wijze.
HALS:
De hals is eerder lang, tamelijk gespierd, goed vrij van de schouders.
LICHAAM:
Het skelet is stevig, maar niet zwaar, de bespiering is droog.
Ruglijn: Heeft een goede gespannen bovenbelijning.
Schoft: Komt duidelijk uit.
Rug: De rug is tamelijk lang en stevig.
Lendenen: De lendenen zijn kort en licht gewelfd, dit lijkt des te meer zo,
omdat de vacht van de hond op de achterhand en op het kruis vaak rijkelijker
is.
Kruis: Het kruis is eerder kort en ligt tamelijk schuin.
Borst: De borst is matig ontwikkeld, ze reikt tot de elleboog. De ribben
zijn licht gewelfd.
Flank: De flank reikt niet ver omlaag.
STAART:
De staart is goed bevederd, niet erg lang, eerder laag aangezet en vormt een
haak aan het uiteinde. Als de hond attent is, mag de staart niet boven de
ruglijn uitkomen. Veel exemplaren zijn gecoupeerd. Sommige honden hebben een
rudimentaire staart, ofschoon ze nooit gecoupeerd zijn.
LEDEMATEN
VOORSTE LEDEMATEN: Deze zijn recht, effen, pezig, droog en goed bevederd.
Schouder: De schouder is tamelijk lang, en ligt middelmatig schuin.
Opperarm: Deze ligt schuin en heeft een gemiddelde lengte.
Onderarm: De onderarm is recht.
Polsgewricht: het gewricht van de pols is duidelijk geprononceerd.
Middenhandsbeentjes: Deze zijn licht schuin geplaatst.
Voet: De voet is droog, tamelijk vlak, met een duidelijk ovale vorm. De
zooltjes zijn donker. De nagels, klein en hard, zijn bedekt door de vacht,
die men ook aantreft onder de voet, tussen de voetkussentjes.
ACHTERSTE LEDEMATEN: De hoekingen zijn tamelijk gesloten. Honden met
halflange vacht hebben ledematen zonder bevedering.
Dij: Deze is niet heel lang en ligt matig schuin, goed gespierd, bevleesd
Knie: De knie is goed gehoekt, in de richting van de lichaamsas.
Onderbeen: Dit is tamelijk lang en schuin geplaatst.
Sprong: De sprong is droog, laag geplaatst, goed gehoekt. De sprongen zijn
soms wat nauw.
Achtermiddenvoeten: Verticaal geplaatst of iets schuin naar voren.
Achtervoeten: De voet is droog, tamelijk vlak, met een duidelijk ovale vorm.
De zooltjes zijn donker. De nagels, klein en hard, zijn bedekt door de
vacht, die men ook aantreft onder de voet, tussen de voetkussentjes.
Hubertusklauwen: de achterpoten kunnen al dan niet enkele of dubbele
hubertusklauwen hebben.
GANGWERK:
In stap heeft de Pyreneese herder een tamelijk ingehouden gang. De draf, die
door de Pyreneese herder wordt verkozen, moet vrij en krachtig zijn. Bij de
korte draf wordt het hoofd iets hoog gedragen; bij de langgestrekte draf
ligt het hoofd in het verlengde van de ruglijn. De voeten worden nooit sterk
opgeheven, de beweging is vloeiend, de hond scheert over de grond.
HUID:
De huid is fijn, vaak gemarmerd met donkere vlekken, ongeacht de kleur van
de vacht.
VACHT:
BEHARING: De lange of halflange, maar altijd rijkelijke beharing is vrijwel
vlak of licht golvend, rijkelijker en wolliger op de kroep en op de dijen,
de structuur houdt het midden tussen geitenhaar en schapenwol. De mengeling
van droog haar en wollig haar veroorzaakt bij bepaalde honden strengetjes of
koorden die “cadenettes” genoemd worden, en soms platen of “matelotes”, die
dakpansgewijs de kroep en de dijen bedekken. Men kan de “cadenettes” zelfs
op de borst aantreffen en op de voorste ledematen ter hoogte van de
ellebogen.
De snuit heeft een kortere en minder rijke beharing. Aan het eind van de
snuit, en soms op de hele snuit ligt het haar naar achteren, het is van voor
naar achteren ingeplant. Aan de zijkanten, evenals op de wangen, is het haar
langer en ziet het eruit alsof het “en coup de vent” (door een windvlaag)
van voren naar achteren is weggestreken. De ogen moeten goed zichtbaar zijn
en mogen niet door de beharing bedekt worden.
KLEUR:
Meer of minder donker fauve met of zonder menging van zwarte haren en soms
wat wit aan borst en poten; donker of lichter grijs, met vaak wat wit aan
hoofd, borst en ledematen; harlekijn (blauw zwart gevlekt). Er komen ook
gestroomde en zwarte vachten voor, of zwarte vachten met witte aftekeningen.
Zuivere vachtkleuren hebben de voorkeur.
GROOTTE:
Reuen: van 40 tot 48 cm.
Teven: van 38 tot 46 cm.
Voor exemplaren die van een uitmuntend type zijn wordt tot 2 cm.
schouderhoogte meer getolereerd.
FOUTEN:
Elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden, die
bestraft wordt naar gelang de ernst ervan.
Algemeen rasbeeld: Zware hond, zonder levendigheid; plompe bespiering; matte
expressie.
Hoofd: Spitsboogvormige schedel; gewelfd voorhoofd; een stop die te sterk
gemarkeerd is; een stop die ontbreekt.
Snuit: Vierkant of rechthoekig; pigmentgebrek op de neus of de lippen.
Ogen: Te lichte ogen of ogen met een verwilderde blik. Pigmentgebrek op de
oogleden.
Oren: Dik, zwaar, vlak vallend aan weerszijden van het hoofd; asymmetrisch
gedragen oren.
Hals: Plomp of zwak; hoofd op de schouders.
Romp: Bovenbelijning is doorgezakt of gewelfd; overbouwd; opgetrokken
buiklijn zoals bij een hazewindhond of een uitgezakte buik.
Lichaam: Zwaar totaalbeeld; vierkant gebouwde hond; rechte ruglijn;
karperrug; rechte kroep.
Staart: Afwezigheid van haakvormig uiteinde.
Voorste Ledematen: Dubbele hubertusklauwen; benen die niet recht zijn.
Schouder: Te recht liggend, of te kort.
Achterste ledematen: Te open sprongen; benen die niet recht zijn.
Voeten: Plompe voeten; kattenvoeten; lange nagels; witte nagels.
Beharing: ” Te overvloedig op het hoofd, vooral als de ogen bedekt worden en
als de beharing van de snuit er griffonachtig door wordt. Slechte structuur,
te zachte vacht, draadharig, een vacht met krullen of gekroesd haar. Een
vacht die niet dicht of dik genoeg is.
Kleur: ” Witte aftekeningen die meer dan 1/3 van de vacht beslaan. Een
harlekijnvacht waarbij het contrast tussen grijs en zwart ontbreekt of
waarin zwemen van fauve te zien zijn. Een te verbleekte vacht. Een zwarte
vacht met rode aftekeningen aan hoofd en ledematen (zwart met fauve
aftekeningen).
Gangwerk: Draf gebonden of stotend; hoog opheffen van de benen.
ERNSTIGE FOUTEN:
Oren: Natuurlijke oren die staand gedragen worden.
Staart: Een staart die over de ruglijn gebogen of gekruld gedragen wordt.
DISKWALIFICERENDE FOUTEN:
Kleur: Witte vacht of een kleur die niet in de standaard is aangegeven.
Neus: Van een andere kleur dan absoluut zwart.
Kaken: Ondervoorbijter of bovenvoorbijter; alle misvormingen van de kaken.
Ogen: Glasogen bij alle honden die geen harlekijnvacht of leigrijze vacht
hebben. Vlekken door pigmentgebrek op de oogleden. Lichte gele ogen.
Grootte: Afmetingen die buiten de toegestane maten vallen.
N.B.
Reuen moeten twee normale testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn
ingedaald.
PYRENEESE HERDERSHOND À FACE RASE
Federation Cynologique Internationale
Secretariat General: 13, Place Albert l – B 6530 THUIN (België)
Standaard FCI no. 138/ 02.04.2001/ Nederlands
Land van herkomst: Frankrijk
Publicatiedatum van geldige originele standaard:
13.03.2001.
Gebruik: Herdershond.
Groepsindeling FCI: Groep 1 : Herders- en veedrijvershonden (uitgezonderd
Berghonden en zwitserse veedrijvershonden.)
Sectie 1: Herdershonden.
Met werkproef.
KORT HISTORISCH OVERZICHT:
Deze variëteit van de Pyreneese herdershond vindt men voornamelijk in het
piémont gedeelte van de Pyreneëen alwaar hij volgens dhr. Bernard Sénac
Lagrange( zie jaarboek 1927) “zeer gewaardeerd werd door paardenhandelaren
en veedrijvers”. Zijn eigenaardigheden t.o.v. de andere typen van de
pyreneese herdershond hebben hem vanaf 1920 een bijlage op de rasstandaard
opgeleverd.
ALGEMEEN VOORKOMEN:
In zijn totaliteit bezit de Pyreneese herdershond face rase dezelfde
karakteristieken als de pyreneese herdershond langhaar.
BELANGRIJKE LICHAAMSVERHOUDINGEN :
De schedel is ongeveer even breed als lang.
De snuit is iets korter dan de schedel, maar langer dan die van de lang- of
halflang haar.
De lichaamslengte is ongeveer gelijk aan de schofthoogte
De afstand van de elleboog tot de bodem bedraagt meer dan de helft van de
schofthoogte.
GEDRAG/ KARAKTER:
de hond is levendig, plooibaar, soms wantrouwend tegenover vreemden.
HOOFD:
het hoofd is bedekt met kort, fijn haar (vandaar de naam “face rase”). De
snuit is iets langer dan die van de pyreneese herder met lang- of halflang
haar.
LICHAAM:
Het lichaam is wat korter dan dat van de Pyreneese herder met langhaar; hij
benadert een vierkante bouw.
LEDEMATEN:
De ledematen zijn bedekt met een gladde vacht met lichte bevedering aan de
voorpoten en een broek aan de achterpoten.
De voet is tevens meer gesloten en meer gewelfd dan die van de langharige
herder. De hoekingen zijn bij deze variëteit meer open.
VACHT:
Op het lichaam is de vacht halflang of minder dan halflang. Hij bereikt zijn
grootste lengte aan de hals en op de schoft (6-7 cm.), en op de ruglijn (4-5
cm.).
GANGWERK:
Voor wat het gangwerk betreft heeft de Pyreneese herder face rase een minder
uitgrijpend gangwerk dan die van de langhaar.
GROOTTE:
Reuen: van 40 tot 54 cm.
Teven: van 40 tot 52 cm.
FOUTEN:
Elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden, die
bestraft wordt naar gelang de ernst ervan.
De fouten en diskwalificerende fouten zijn dezelfde als die zijn aangegeven
bij de langharige variëteit, uitgezonderd die waar het de vacht en de
proporties betreft.
N.B.
Reuen moeten twee normale testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn
ingedaald.

